1. Ook vóór het BEK was er muziek in de maatschappij

We bevinden ons in de tweede helft van de zeventiger jaren. Mei 68 heeft zijn stempel gedrukt op een ganse generatie. We bewegen ons op de golf der grote gevoelens. We laten ons niet meer commanderen. We doen aan politiek. Over dat laatste schreef Hanns Eisler jaren daarvóór : “Als de muziek zich niet met politiek bemoeit, zal de politiek zich met de muziek bemoeien.” Marc De Smet en Jan Rispens starten met andere muzikanten en acteurs in 1977 de werkgroep “Muziek en Maatschappij”. Beiden gaan ze compositie studeren aan het Koninklijk Muziekconservatorium te Den Haag bij Louis Andriessen, die het maatschappelijk engagement hoog in het vaandel voert. In 1978 wil de werkgroep een groot progressief koor op de been brengen. Via radio en pers, verenigingen zoals het Masereelfonds en bestaande koren wordt op zoek gegaan naar zangers en zangeressen voor het nieuwe project. We schrijven 25 juni 1978, een warme zomerse zondagavond. Marc De Smet staat bij de ingang van een nauw poortje in de Hoogstraat van Brussel en verwelkomt de nieuwkomers in de “Ateliers populaires”.
Het is de eerste repetitie van het Brecht-Eislerkoor in Brussel :

“Leer het eenvoudige want voor wie de tijd gekomen is, is het nooit te laat ...” (tekst van Brecht ; muziek van Eisler).


2. Gent, Antwerpen en Brussel doen hun BEK open
Marc De Smet heeft als oprichter van een groot Brecht-Eislerkoor de ambitie om de cantate De Moeder te brengen met een groot gemengd koor voor niet-professionele zangers. In Gent, Antwerpen en Brussel worden drie kernen gevormd waarvan Marc aanvankelijk de repetities leidt. Streng en vakkundig dirigeert hij een 80-tal zangers naar een productie met artistiek niveau. In de Vooruit van 5 december 1978 kan je in een interview met Freek Neirinck lezen:
“... de opvoering van De Moeder is dan ook niet louter doel op zich. We hopen hiermee in Vlaanderen een eerste stap te zetten tot een volwaardige linkse muziekpraktijk op een behoorlijk niveau. Ik koester de stille hoop dat deze groep na een eerste project blijft bestaan‚ ...”
De eerste repetities gaan door in de Moskoustraat in Sint-Gillis. Als je geen soep meer hebt, Hoe wil je je dan weren? Dan moet je de hele staat Van onder tot boven om keren, Tot je je soep hebt alvast. Dan ben je je eigen gast. En over de revolutionair zongen we, met Brecht: Hij vraagt het eigendom: Waar kom je vandaan? Hij vraagt de meningen: Wie strek je tot nut?
De agenda stond vol : in twee weken 6 uitvoeringen ! De vooravond van 1 mei 1979 première in Mechelen ; op 1 mei zelf twee uitvoeringen (‘s namiddags in het Rogiercentrum van Brussel voor AMADA, ‘s avonds in de Handelsbeurs van Antwerpen) ; op 5 mei in Knokke en een weekje later in Lokeren en Gent. En terwijl de laatste noten van De Moeder nog in onze oren klinken (“... en zo marcheerde zij met ons, onvermoeibaar”) dient er zich al een nieuwe productie aan : met De Mannen van den Dam gaan we Het Roer van de Staat in handen pakken. Een jaartje later staan we alweer op de planken. Het is weer 1 mei !

Terug naar boven

 

3. Brussel zet een B voor zijn BEK

De repetities in Brussel zullen toevertrouwd worden aan Jan Rispens. We leren Jan snel kennen als een uitstekend leraar en een gepassioneerde gesprekspartner. Jan brengt bovendien nieuwe, hedendaagse muziek in het koor : Louis Andriessen, Cornelis De Bondt, Huub De Vriend. Jezus, wat hebben we gezwoegd op die noten ! Maar Jan vindt onze muzikale misstappen verschrikkelijk interessant ...Ergens uit een verslag : „Jan zal de naam van progressieve dirigenten (slaan steeds met de linkerhand de maat) en linkse componisten (schrijven op rode notenbalken) aan de stuurgroep doorgeven ... En de partituren liegen er niet om : Vietnam, Reagan-lied, de Bijl, Dwaze Moeders. Moeilijke noten, woorden zo groot als een huis. We zijn niet te stoppen. Vooruit naar De Maatregel, een controversieel leerstuk van Brecht en Eisler ! De Maatregel is Lieve’s eerste groot project als dirigente. Een leerstuk. Onder haar leiding geniet het koor het voorrecht van een zeer boeiende samenwerking met regisseur Rudi Van Vlaenderen. Jan Aertssen springt zijn collega Rispens bij als pianist voor Nootzaak. Wij krijgen een extra muzikale inbreng met een ragtime erbovenop ! Wanneer alweer een nieuwe productie zich aandient laat Jan R. de dirigentenplek voor Jan A. Steunend op zijn maatslag leren wij hinken in Het lied van de uiteenlopende gedachte. Meer nog : onder zijn zwaaiende arm lossen wij voor het eerst onze partituur en blijven niet langer stokstijf op de scène staan. Er dreigt een artistiek schisma tussen bewegers en niet-bewegers. Maar we sluiten de rangen en zingen onze volgende productie : Jubilate ! Jan Rispens sluit zijn boeken

 

4. Wat zullen we zingen in de nieuwe wereldorde ?
Lieve weet raad : als de revolutie dan toch niet voor morgen is kunnen we ons aangenaam en nuttig bezighouden met goede muziek en die hoeft niet per se van Eisler te zijn. Monteverdi, Distler en Bach komen ons repertorium verrijken. Ondertussen groeien nieuwe ideeën. In Paradisum laat wat op zich wachten, maar we krijgen daarvoor wel het BBEK in burgerpak op muziek van Guido Schiffer en op tekst van Jos Vandersmissen ! En dan weer even uitblazen ... En inzingen, en dansen en springen en ochtendgymnastiek geleid door eigen koorspecialisten. En terug vooruit zien Naschrift voor de aandachtige lezer die zich afvraagt of ik het stukje over de koor-CD Dwarsbalken‚ soms niet vergeten heb ? ... die 4 memorabele opnamedagen waarop onder Jan Rispens‚ leiding , na een intense periode van instuderen, een 100-tal stemmen (naast BBEK : het Gents Brecht-Eislerkoor, het Omroerkoor, Overhoop en Warempel) voor het nageslacht werden bewaard ...

Terug naar boven

 

Koorgeschiedenis in mensen
  • huidig aantal leden: 35 actieve zangers
  • eerste opvoering: De Moeder van Bertolt Brecht
  • grootste productie tot nu: The Shouting Fence